“Een fantastische man die nog nooit tegen een bal had getrapt, maar die fantastische voetbalmensen om zich heen verzamelde (…). Kieboom zorgde voor een unieke sfeer. Voor hem ging je door het vuur.”
Cor van der Gijp.

Cor Kieboom zette zich als bekwaam bestuurder, eerst als penningmeester en later als voorzitter, meer dan veertig jaar in voor Feyenoord. Als penningmeester speelde hij een belangrijke rol bij het tot stand komen van het Stadion Feijenoord. De voorzitter Kieboom greep de invoering van het betaald voetbal aan om met een uitgekiend transferbeleid de basis te leggen voor de grootste bloeiperiode in de geschiedenis van de club.

Penningmeester
Het citaat van Cor van der Gijp dat boven dit artikel prijkt, klopt niet. Cor Kieboom heeft namelijk wel degelijk tegen een bal getrapt. Hij deed dat zelfs voor Feyenoord, waar hij in 1921 lid werd. Dat de herinnering aan zijn carrière als speler vervaagd was op het moment dat Van der Gijp zijn uitspraak deed, heeft er wellicht mee te maken dat Kieboom het nooit verder bracht dan het zesde elftal van Feyenoord. Hij probeerde het nog wel bij een andere club, maar keerde in 1924 terug bij Feyenoord. Zijn verdiensten voor de club zouden op het bestuurlijke vlak liggen.

Cornelis Rocus Johannes Kieboom was geboren op 10 februari 1901 in het Noord-Brabantse Raamsdonksveer. In 1907 was het gezin Kieboom naar Rotterdam verhuisd, waar Kiebooms vader werk vond als portier. Kieboom, die alleen de lagere school had bezocht, had zich bij een rederij van jongste bediende op weten te werken tot iemand met een functie van aanzien, procuratiehouder, en zichzelf daarbij tot boekhouder geschoold.

Gewapend met die boekhoudkundige vaardigheden trad hij in 1926, op vijfentwintigjarige leeftijd, toe tot het Feyenoord bestuur, als tweede penningmeester. Een jaar later werd hij eerste penningmeester. In die functie speelde hij een belangrijke rol bij de plannen, geïnspireerd door voorzitter Leen van Zandvliet, om in Rotterdam een voetbalstadion te bouwen dat zijn weerga niet zou kennen. Kieboom zorgde er als penningmeester voor dat de ideeën van Van Zandvliet steeds een verantwoorde financiële onderbouwing hadden. En inderdaad zou het Stadion Feijenoord de club geen windeieren leggen.

Kieboom was inmiddels voor zichzelf begonnen. In 1932 was hij een kolen- en oliehandel gestart die dankzij zijn inzet en zakelijk talent al snel uit was gegroeid tot een lucratieve onderneming.

Voorzitter
Vanaf 1939 was Cor Kieboom actief als voorzitter van Feyenoord, eerst waarnemend en vanaf 1940 officieel. In juli van dat jaar legde de club voor de vijfde keer beslag op de landstitel. Het landskampioenschap van 1940 zou echter het laatste grote succes blijken in twintig jaar.

Het was vooral kommer en kwel waarmee Kieboom in zijn eerste jaren als voorzitter te maken kreeg. Feyenoord mocht gedurende het grootste deel van de oorlog haar thuiswedstrijden niet in het eigen stadion spelen. Er was zelfs sprake van de sloop van het Stadion Feyenoord, de Duitsers zouden de enorme hoeveelheid staal in de constructie goed hebben kunnen gebruiken. In 1944 raakte Kieboom tot overmaat van ramp ernstig gewond toen een Engelse bom het kantoor van zijn kolen- en oliehandel vernietigde. Dagenlang was zijn toestand kritiek, maar uiteindelijk herstelde hij.

Ook na de oorlog ging het de club niet voor de wind, in ieder geval in sportief opzicht. Men slaagde er niet in om uit de eigen gelederen een team te lichten dat een waardige opvolger was voor de teams die in de jaren twintig en dertig succes hadden gehad. Langzaam vervaagde de herinnering aan de glorietijden. Misschien moet het feit dat Cor Kieboom in 1954 een cruciale rol zou spelen bij de invoering van het betaald voetbal in Nederland vooral in dat licht worden bezien.

Betaald voetbal
Begin jaren vijftig woedde een discussie rond invoering van betaald voetbal. Bij de voetbalbond bestond felle tegenstand en wilde men het liefst vasthouden aan het ideaal van zuiver amateurisme. Langzaam begon echter duidelijk te worden dat de tegenstanders van betaald voetbal een gevecht tegen de bierkaai voerden. Eind 1953 werd er zelfs een concurrerende bond opgericht die een competitie voor profclubs organiseerde.

Verontrust door de ontwikkelingen, arrangeerde Cor Kieboom in de zomer van 1954, samen met vertegenwoordigers van Excelsior, Sparta en ADO, een informele ontmoeting met een afvaardiging van de KNVB in het Utrechtse Hotel Terminus.’ Tijdens deze ‘slaapkamerconferentie’ (omdat er geen vergaderzaaltje beschikbaar was week men uit naar een normale kamer), slaagden Kieboom en de zijnen er in de bond te overtuigen van de onontkoombaarheid van betaald voetbal. De invoering van het betaald voetbal werd gepresenteerd als een noodzaak vanwege de leegloop die dreigde bij de clubs, als gevolg van de vele spelers die een profbestaan in het buitenland, met name Frankrijk en Italië, of bij één van de clubs van de wilde bond, zouden verkiezen boven het amateurvoetbal.

Ook Feyenoord was een aantal spelers kwijt geraakt aan buitenlandse clubs, maar vanuit het perspectief van Feyenoord was de invoering van het betaald voetbal niet alleen maar een defensieve maatregel. Het was vooral een goed idee vanwege de mogelijkheden die het de club bood. Feyenoord had met de successen van de jaren twintig en dertig een enorme supportersschare opgebouwd. Het had echter in de amateur-periode geen manier om de financiële kracht die dat de club opleverde aan te wenden ter versterking van het eerste elftal. Met de invoering van het betaald voetbal, per 1 september 1954, werd alles anders.

Holland Sport
Er werd bij de invoering van het betaald voetbal ook besloten dat zou worden overgestap naar een nationaal opgezette competitie. Hiermee zou een eind komen aan de tot dan toe gebruikelijke indeling in regionale afdelingen, waarvan de kampioenen elkaar aan het eind van het seizoen in een kampioenscompetitie ontmoetten.Ook met dat plan was Kieboom verguld. Eindelijk zouden de sterkste ploegen van het land tegen elkaar gaan spelen. In twee stappen zou in de komende seizoenen worden bepaald welke ploegen uiteindelijk de hoogste divisie zouden vormen. Eerst zouden er twee Hoofdklassen worden gevormd en een jaar later zouden de beste ploegen daaruit een nationale Eredivisie mogen vormen.

Tot Kiebooms afschuw dreigde het voor Feyenoord al bij de eerste horde mis te gaan, toen de club in het seizoen 1954/1955 deelname aan de nieuw te vormen Hoofdklasse B mis leek te gaan te lopen. Feyenoord moest minimaal achtste eindigen in haar afdeling en in de loop van het seizoen zag het er serieus naar uit dat die opgave weleens te hoog gegrepen zou kunnen blijken.

Cor Kieboom besloot maatregelen te nemen en benaderde in het geheim de eigenaar en voorzitter van het Haagse Holland Sport, een Amsterdamse zakenman genaamd Lodewijk Röpcke. Hij bood hem drie ton voor de club, die in haar afdeling wel een riant uitzicht op deelname aan de Hoofdklasse B had. Op die manier zou Feyenoord desnoods via een achterdeur kunnen doordringen tot de Hoofdklasse B. Röpcke, die Holland Sport voornamelijk zag als een manier om snel geld te verdienen, had wel oren naar het voorstel. Uiteindelijk zou het er niet van komen, omdat Feyenoord op eigen kracht een plek in de Hoofdklasse wist af te dwingen. In plaats van de club, kocht Kieboom een aantal spelers, Henk Schouten, Aad Bak en Tinus Osterholt.

Uitgekiend transferbeleid
Feyenoord trok die zomer ook Cor van der Gijp en de jonge Coen Moulijn aan. Het voordeel dat het betaald voetbal een club als Feyenoord bood, was daarmee direct gedemonstreerd. De selectie voor het seizoen 1955/1956 had heel wat meer potentie dan die van het jaar ervoor. Zonder al te veel problemen schaarde de stadionclub zich dat jaar dan ook bij de clubs die het volgende seizoen de eredivisie zouden gaan vormen.

In de jaren die volgden werd het elftal verder uitgebouwd met gerichte aankopen als Eddy Pieters Graafland, Frans Bouwmeester, Jan Klaassens, Reinier Kreyermaat en Rinus Bennaars. Zo kreeg langzaam het team vorm dat in het seizoen 1960/1961 voor de eerste titel in meer dan twintig jaar zou zorgen. Dat kampioenschap zou het begin van een nieuwe bloeiperiode blijken. Tussen 1960 en 1974 zou de club 6 landstitels winnen, 2 KNVB-bekers, de Europacup I, de Wereldbeker en de UEFA-Cup. De club blonk uit in een uitgekiend aankoopbeleid, dat ook spelers als Hans Kraaij, Piet Kruiver, Pummy Berholtz, Rinus Israel, Ove Kindvall, Willem van Hanegem en Frans Hasil naar De Kuip bracht.

Einde van een tijdperk
Voor Kieboom persoonlijk was het helaas niet alleen maar hosanna in deze periode, integendeel. In de zomer van 1967 bracht een ernstige maagbloeding hem op het randje van de dood. Hij herstelde, maar moest het voorzitterschap van Feyenoord opgeven. De club benoemde hem prompt tot erevoorzitter, zodat hij de grootste successen van de club nog van dichtbij mee zou kunnen maken, maar aan het tijdperk Kieboom was een einde gekomen.

Met Kieboom verloor de club een markante en inspirerende bestuurder. Een voorzitter die op vaderlijk-autoritaire wijze leiding gaf aan de club, maar zich tevens liet adviseren door de voetbalkenners die hij om zich heen verzamelde. Het moet hem aan het hart zijn gegaan om te zien hoe de club waarbij hij zich zo hartstochtelijk betrokken voelde, na 1974 in verval raakte. Van tijd tot tijd kon hij de verleiding dan ook niet weerstaan zich in het openbaar uit te laten over het reilen en zeilen van de club.

Cor Kieboom overleed op 28 juli 1982, na een ziekbed van een jaar, op 81-jarige leeftijd.

Bronnen:.Bert Nederlof, De Feyenoorders (Gouda 2002); Phida Wolff, Geen Woorden Maar Daden (Baarn 1971).
Links: Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

(Visited 614 times, 1 visits today)